Circulaire economie

Circulariteit in de bouw

Als grootverbruiker van materialen, ruimte, water en energie heeft de bouwsector een kolossale impact op het milieu. Zeker met het huidige lineaire model van ontginnen, produceren, consumeren en elimineren als afval. Komt daar nog eens bovenop dat een deel van het materiaal in de bouw al als afval weggeworpen wordt zelfs zonder dat het ooit heeft gediend.

    Circulair bouwen

    Het bouwen en uitbaten van gebouwen is in de Europese Unie goed voor ongeveer de helft van alle gewonnen materialen en ruwweg één derde van het waterverbruik. En hoewel er de laatste decennia een enorme vooruitgang geboekt is met het energie-efficiënter bouwen, verslindt de sector nog veel energie: in 2019 was de bouwsector goed voor 50% van de energievraag en 40% van de CO2-uitstoot. Verbruik van materialen en energie op deze schaal is onhoudbaar. Dat onderschrijft ook Kate Raworth in haar boek Doughnut Economics

    De noodzaak van een transitie richting duurzame economie is helder. De Europese commissie heeft haar plannen daarvoor vervat in het ‘Circular Economy Package’ en dat gedachtengoed sijpelt ondertussen overal door. Voor Vlaanderen vertaalde zich dat onder andere in de visie 2050, waarin circulariteit een belangrijke positie inneemt. De startnota Transitieprioriteit Circulaire Economie geeft aan die visie meer detail. Deze is opgesteld in de vorige regeerperiode maar blijft ook in de huidige van toepassing.

    Begin 2019 lanceerden Vlaanderen CirculairOVAM en de Vlaamse Confederatie Bouw de Green Deal Circulair Bouwen. Om de transitie naar een circulaire economie te versnellen heeft Vlaanderen Circulair sinds eind 2020 een nieuwe structuur opgezet. Binnen deze nieuwe structuur zijn o.a. Werkagenda’s opgesteld. Dit zijn partnerschappen die zich richten op circulaire acties binnen een strategisch thema. Een voorbeeld daarvan is de Werkagenda Circulair Bouwen, vertegenwoordigd door Petra Ronda van Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) en Roos Servaes van OVAM/Vlaanderen Circulair. Binnen deze werkagenda wordt samen met een breed team aan stakeholders vanuit de sector gewerkt aan het opzetten van een rollend actieprogramma, dat gelanceerd wordt eind 2021.

    Het principe van circulariteit is eenvoudig: je probeert grondstoffen zo lang mogelijk in kringlopen te houden. De meerwaarde daarbij kan van economische aard zijn (meer jobs, minder afhankelijk van import,…), maar ook ecologisch (lagere milieu-impact) en sociaal (betaalbaarheid, inclusief, gemakkelijk te onderhouden,…). Reparatie, hergebruik, renovatie en recycling zijn daarbij de opties. Maar wat betekent circulair in de bouw eigenlijk? Jeroen Vrijders van het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (kortweg WTCB) benoemt drie circulaire uitdagingen:

    1. Gebouwen en materialen ontwerpen en realiseren die veranderingsgericht zijn en telkens opnieuw gebruikt kunnen worden;
    2. Urban mining, ofwel het opnieuw gebruiken van materiaalstromen die vandaag in de gebouwenstock aanwezig zijn;
    3. Circulaire business modellen, die gericht zijn op het sluiten van ketens.
    Inhoudstafel

    1. Ontwerp en uitvoering van een gebouw

    Het klinkt vanzelfsprekend: bouwen met in het achterhoofd hergebruik achteraf. Hetzij het gebouw in haar geheel, hetzij de materialen apart. Dat was tot voor kort echter niet de insteek van architecten. Bouwen doe je voor de eeuwigheid, toch? Of minstens dicht erbij. En ja, de gebruikte bouwmaterialen - baksteen en beton voorop - gaan ook heel lang mee. Waarom zou je dan je hoofd breken over hergebruik of circulariteit? 

    Daar zijn een paar goede redenen voor te bedenken: in de eerste plaats zijn niet alle materialen zo bestendig als baksteen. Dat betekent dat een deel van de gebruikte materialen in een gebouw wel degelijk na jaren (denk aan afwerkingslagen), of hooguit decennia (bijvoorbeeld ketels en ventilatie) aan vervanging toe zijn. In de tweede plaats veranderen de eisen die we aan gebouwen stellen in de loop van de tijd ingrijpend. Denk aan functionele voorwaarden zoals isolatie, of rond indeling en ergonomie van gebouwen. De invulling die we vandaag aan scholen geven, is toch helemaal anders dan 50 jaar geleden bijvoorbeeld. Nieuwe inzichten geven vaak aanleiding oude gebouwen af te breken. Bedenk ook alvast maar even welke impact de Coronacrisis op onze kantoorgebouwen zal uitoefenen. Tenslotte zijn er wijzigende sociale en demografische situaties als gevolg waarvan gebouwen in hun oorspronkelijke vorm op hun specifieke locaties niet langer nuttig zijn. Een architect houdt er dus best maar van bij de conceptie van een gebouw rekening mee wat er gedurende het gebruik en aan het einde ervan mee kan gebeuren.

    1.1. Multi-inzetbaarheid en aanpasbaarheid

    Het meest voor de hand liggend en tegelijk een heel groot effect bereikend: zorg dat een gebouw meteen multi-inzetbaar is, zodanig dat het zonder grote wijzigingen aan de noden en wensen van verschillende gebruikers(groepen) en activiteiten kan voldoen. Dat begint bij het doordacht ontwerp, met voldoende grote overspanningen, multifunctioneel ruimtegebruik, en aangepaste verdiepingshoogtes. 

    Daarnaast zijn er natuurlijk ook gerichte innovaties die inspelen op de aanpasbaarheid van gebouwen, waarbij het gebouw zo ontworpen wordt dat het gemakkelijk kan gewijzigd worden o.b.v.  de nieuwe noden en wensen. Aanpassingen kunnen gebeuren door onderdelen te verplaatsen of door ze gedeeltelijke of volledig te demonteren.

     

    > Circulaire Wanden van JUUNOO

    Grote ruimtes met daarin mobiele wanden die  al naar gelang de wensen van de gebruiker verplaatst kunnen worden. Grote overspanningen helpen daarbij natuurlijk (maar dan moet je wel bereid zijn om initieel iets meer beton te gebruiken). JuuNoo uit Zwevegem octrooieerde een systeem voor in hoogte en breedte instelbare binnenwanden. Die kunnen op één dag opgebouwd, maar ook weer weggenomen worden. Overbodige wanden kunnen in hetzelfde of in een ander gebouw hergebruikt worden. JuuNoo neemt via een buy-back model het systeem ook terug. Essentieel bij een business model als dit is dat de restwaarde van herbruikbare materialen hoger ligt dan kost voor demontage, transport en stockage.

    > Skilpod

    Skilpod uit Geel gaat nog een stap verder: met industrieel vervaardigde modules bouwen ze een huis op dat nadien verder uitgebreid kan worden met extra modules op het moment dat de gezinssituatie dat vereist. 

    > Ecohuis

    Ecohuis uit Herentals zit met haar modulair bouwconcept Brensj ook op dat traject: industriële en energiezuinige basismodules ontwikkeld met VLAIO steun die in de montagehal geproduceerd worden. Later kan je ze flexibel koppelen, aangepast aan de noden van de gebruiker of verplaatsen naar een andere locaties. Brensj koppelt ook aangepaste dienstverlening aan dit vernieuwende woonconcept.

    > Kozo

    Kozo uit Geel bouwt ook industrieel en modulair en vertrekt dan ook nog van bestaand standaard stellingmateriaal voor haar constructies.

     

    1.2. Bouwen in lagen

    Zoals hiervoor al aangehaald, hebben niet alle materialen en componenten in een gebouw dezelfde levensduur. Een architect kan daarop anticiperen door in onafhankelijke lagen te bouwen om ze nadien te kunnen scheiden. Zo blijven bouwcomponenten met een grotere technische levensduur langer behouden. Kijk bijvoorbeeld maar in Brussel Noord waar bij een aantal gebouwen de volledige gevel gestript wordt, maar de betonstructuur gehandhaafd blijft. 

     

    > Bao Living

    Het Antwerpse Bao Living - aangesloten bij Netwerk Ondernemen en klant van VLAIO - biedt een bouwsysteem dat een ‘laag’ op zichzelf vormt. In een geprefabriceerde module,  SAM (Smart Adaptive Module) worden al de nutsvoorzieningen van een gebouw verzameld. Ambitie; de kosten van nutsvoorzieningen reduceren met 30%.

    > Proeftuin Circulair Bouwen

    Ook binnen het VLAIO Netwerk is men actief op het vlak van bouwen met het oog op toekomstige aanpassingen. De Proeftuin Circulair Bouwen waarin o.a. VITO, het WTCB, de UHasselt en de Vrije Universiteit Brussel samenwerken in opdracht van OVAM. Deze proeftuin maakt deel uit van de Green deal Circulair Vlaanderen en is ondertussen in een tweede fase waarin ze zich richten op 'veranderingsgericht (ver)bouwen'.  

    > onderzoeksproject EURECA

    Bureau Bouwtechniek, Algemene Bouw Maes nv, De Witte Aluminiumconstructies nv en UGent zijn partners in een onderzoeksproject EURECA. Hierin ontwikkelen ze een circulair gevelsysteem voor renovatie dat opschaalbaar is en dat toelaat om bestaande gebouwen op een circulaire manier snel te renoveren. Het modulair gevelrenovatiesysteem moet herbruikbaar zijn, zodat je het op meerdere gebouwen kan toepassen. 

    > Windows of (Circular) Opportuniy

    Gelanceerd door Reynaers Aluminium, VITO en VUB kijkt 'Windows of (Circular) Opportuniy' naar het upgradeable maken van raamkaders: zijn ze in de loop van het gebruik makkelijk demonteerbaar en herbruikbaar? Denk aan specifieke koppelstukken die het plaatsen of wegnemen van raamkaders in/uit de gevel makkelijker maken.

    > Ben je op zoek naar meer inspirerende voorbeelden?

    Neem dan eens een kijkje bij de fiche Onafhankelijkheid binnen de 24 ontwerprichtlijnen voor veranderingsgericht bouwen (zie p.10) of de iets recentere publicatie Circulaire ontwerpkwaliteiten (zie p.37-38).
     

     

    1.3. Verbindingen

    Bouwen in lagen klinkt alvast goed, maar dat stelt wel enkele vereisten: alleen met toegankelijke en omkeerbare verbindingen is het mogelijk om lagen en componenten die uit verschillende materialen bestaan weer van elkaar te scheiden en opnieuw inzetbaar te maken zonder ze te beschadigen. Ook daaraan wordt op verschillende fronten hard gewerkt.

     

    > Facadeclick

    Facadeclick uit Leuven heeft een kunststof verbinding ontwikkeld waarmee gevelstenen kunnen worden ‘gestapeld’ zonder cementverbinding. Er zijn dus geen vaklui nodig om te metselen en het gaat behoorlijk snel, getuige deze video. Deze gevelstenen zijn bij afbraak ook weer volledig van elkaar te scheiden en opnieuw te gebruiken. Jasper Vandenbempt: “Wij zien met name in B2B interesse voor dit systeem. Vaak wordt nu al in openbare aanbestedingen vooropgesteld dat de gebruikte materialen zoveel mogelijk circulair moeten zijn. Dus dat speelt in onze kaart. Tegelijkertijd blijft de kostprijs zeer bepalend. De opdrachtgever wil gewoon zoveel mogelijk gebouw voor het beschikbare budget.”

    > WOODinc

    WOODinc uit Retie introduceerde in Europa het Japanse Suteki Wood System. Een volledig circulair paal-en-balksysteem in gelamelleerd hout. Dit hout is stabieler en technisch beter dan massief hout.  De omkeerbare verbindingen zijn van koolstofstaal. Het systeem is heel eenvoudig (de)monteerbaar en leent zich dus goed voor hergebruik. In het kader van een VLAIO Ontwikkelingsproject ontwikkelde WOODinc een concept van ‘CircuWallPanels’ (ook cassettes genoemd): circulair en ecologisch voor een breed gebruik in nieuwbouw- en renovatieprojecten, en dienstig voor verschillende draagstructuren. Deze cassettes moeten voldoen aan alle structurele en bouwfysische eisen van de bouwschil waarbij modulariteit, een brede inzetbaarheid en een eenvoudige toepassing (door bouwprofessionelen én zelfbouwers) een belangrijke focus is. Recent startte Woodinc met de bouw van 5 BEN woningen in Retie in deze combinatie van circulaire structuur plus schil.  

    > Knoopwerk

    Knoopwerk van Bartel Rutten biedt een vernieuwend houtbouwsysteem dat het 'click and play' principe in de bouw introduceert en dat een alternatieve oplossing voor de ruwbouw biedt. De kern wordt gevormd door een kubusvormig koppelstuk uit metaal. Dat biedt de mogelijkheid om aan zes kanten een balk te verbinden met een eenvoudige tik van de hamer. De balken kunnen ook weer eenvoudig uit elkaar worden gehaald. En het systeem is niet alleen circulair. Het werkt ook nog snel!

    Een toepassing van dit circulaire houtbouwsysteem vind je in De Potterij in Mechelen.

    > Mobble on the move

    Ook op het gebied van verbindingen zijn VLAIO Netwerkleden actief: Bouwunie, Hogeschool Odisee, VDAB en UGent ontwikkelen binnen de open call circulaire economie van Vlaanderen Circulair een mobiele unit. Mobble on the move wil een modulair en ecologisch bouwsysteem dat gezond wonen en werken voor iedereen toegankelijk maakt, marktrijp maken. Dit circulair bouwsysteem bouwt voort op het project 'The Mobble' waarmee UGent in 2019 succesvol deelnam aan Solar Decathlon. Aan de hand hiervan zullen circulaire vloer-, dak- en gevelopbouwen gedemonstreerd worden die als alternatief kunnen dienen voor de courante praktijk. De focus ligt behalve op duurzaamheid en comfort, op hergebruik en demonteerbaarheid van de materialen.

    > Twee andere initiatieven die zich specifiek toespitsen op verbindingen zijn Archelier, waarbij 10 veranderingsgerichte bouwknopen in een fysiek een-op-eenmodel zullen opgebouwd worden ter inspiratie van andere ontwerpers. En het Platform voor Circulaire Bouwknopen, waarin onderzocht wordt hoe innovatieve samenwerkingsvormen en kennisstromen, samen met de praktijk, steeds meer circulaire bouwknopen uitgepuurd, gedocumenteerd en gevalideerd kunnen worden.

     
    bouwmateriaal

    1.4. Materialen

    Uiteraard gaat de voorkeur uit naar materialen met een lage milieu-impact. Dus materialen die gerecycleerd zijn of die zelf aan het einde van hun eerste leven gerecycled of hergebruikt kunnen worden. Of nog beter allebei. Hier en daar werkt de markt mee op dit punt: zo is bv. de prijs van ‘virgin compound pvc’ ondertussen zo hoog dat het economisch interessant is om bestaand materiaal te recyclen, aldus Jeroen Vrijders. 

    Wim Debacker van VITO: “Er is overigens geen garantie dat recycleerbare en gerecycleerde materialen altijd een lagere milieu-impact hebben t.o.v. gelijkwaardige materialen o.b.v. primaire grondstoffen. Soms verbruik je evenveel energie om secundaire grondstoffen te verwerken. Anderzijds zijn de evaluatiemethodes om de milieu-impact te bepalen van recycleerbare en gerecycleerde materialen nog niet altijd up-to-date. De standaard evaluatiemethodes focussen nog altijd op de ‘cradle-to-grave’ processen.”

    Als het gaat om CO2-uitstoot is de kampioen cement en het beton dat ermee gemaakt wordt. En dat gebruiken we ook nog eens in grote hoeveelheden. Logisch dus dat we zoeken naar alternatieven voor cement en manieren om beton ‘meer circulair’ te maken.

    Petra Ronda (VCB): “Recyclage is een belangrijke bron voor nieuwe grondstoffen en producten. Zeker naar de toekomst toe. Maar we mogen ons er ook niet op blind staren. Het merendeel van de materialen die vandaag de dag worden ingezet, zijn nieuw. Daarom moeten we ook kritisch zijn in de afwegingen of en welke materialen we gebruiken. Daarbij kijken we o.a. naar hernieuwbare grondstoffen. Lees: grondstoffen, waarvan de voorraad in een korte periode kan worden hersteld.”

     

    > ResourceFull

    Het bedrijf ResourceFull ontwikkelt zogenaamde ‘low carbon binders’ als vervanger van Portlandcement in beton producten. Heel interessant vanuit milieustandpunt als je bedenkt dat de productie van Portland cement instaat voor 8% van de CO2-productie wereldwijd. Ze vertrekken hierbij bovendien van bestaande industriële reststromen zoals bijvoorbeeld slakken uit de metallurgie.

    > Circular.Concrete

    Ook binnen het VLAIO Netwerk doet men onderzoek naar cementvervangers en andere circulaire oplossingen voor beton. Circular.Concrete is een gesubsidieerd VIS-project, ingediend binnen de speerpuntcluster SIM en uitgevoerd door het WTCB

    > Betonelementen

    Vanuit het standpunt van materiaal- en energiegebruik is gewoon hergebruiken van een component natuurlijk nog beter dan recycleren. Dat lijkt niet voor de hand liggend in het geval van betonelementen maar het gebeurt desondanks al wel, bijvoorbeeld bij het Nederlandse CD20 bouwsystemen. Hoe je dat dan met de verbindingen weer oplost laten ingenieursbureau IMd en het Finse Peiko Sumo zien. 

     

    1.5. Materialenpaspoort

    Een veelbelovend idee in verband met materiaalgebruik is het materialenpaspoort. Dat stel je op bij het ontwerp van een gebouw. Het biedt informatie over de gebruikte materialen, hun samenstelling, lokalisatie, hygrothermische eigenschappen, milieu-impact, mogelijkheden voor hergebruik, recyclage, ... en maakt vervolgens hergebruik van materialen makkelijker.

    “Een materialenpaspoort kan een hulpmiddel zijn om materialen opnieuw te gebruiken of terug te winnen”, aldus Wim Debacker van onderzoekscentrum VITO. “Momenteel is er nog geen uniform model voor . Enerzijds zou een materialenpaspoort algemene informatie moeten vervatten, zoals de technische kwaliteiten van een nieuw of gebruikt - materiaal  een ‘environmental product declaration’, i.e. een onafhankelijke milieuverklaring die de milieu-impact van het bouwproduct over (een deel van) de levenscyclus beschrijft.

    Anderzijds kan een materialenpaspoort op gebouwniveau – of kortweg een gebouwenpaspoort – ook het maken van beslissingen vergemakkelijken door context-specifieke informatie toe te voegen, zoals mogelijkheden voor recyclage en hergebruik wanneer het selectief gesloopt of ontmanteld zou worden en ook onderhoudsfrequenties van een bepaald product in het gebouw. Een voorbeeld: een deur die gebruikt wordt bij de ingang van een gebouw zal vaker open en dicht gaan dan diezelfde deur die toegang verleent tot de zolder. Dat betekent dat er dus ook een ander onderhoudsschema bij hoort. Uiteindelijk gaat het voornamelijk over vertrouwen dat een afnemer moet hebben in een gebruikt materiaal en dat kan met een dergelijk document versterkt worden.

    Afhankelijk van hoe een materialenpaspoort gedefinieerd wordt (enkel generieke informatie of ook gebouw- en context specifieke informatie) zullen andere mensen betrokken worden bij het opmaken van een materialenpaspoort: materiaalproducenten voor de algemene samenstelling, milieu-impact (cradle-to-gate), te verwachten technische prestaties,…; architecten: potentieel tot hergebruik en capaciteit wat betreft transformatie,…; gebouwbeheerder: werkelijke prestaties, onderhoudsfrequentie, afschrijving,…”

     

    > Dataficatie van circulaire economie

    Ook de KU Leuven richt zich hierop in een project Dataficatie van circulaire economie met Karel van Acker als promotor: de voortgang van de circulaire economie wordt bemoeilijkt door een gebrek aan geschikte en toegankelijke data. Een veilig beheer van data is cruciaal om een data-uitwisselingsplatform te ontwikkelen ter ondersteuning van beleid en van interacties doorheen waardeketens. Het project brengt circulaire en data-economie gerelateerde kennis samen om een conceptueel kader uit te werken voor het beheer van data en de bouw van een platform om data uit te wisselen, gebaseerd op het concept 'materialenpaspoort', en met focus op gebouwen en wegmobiliteit als cases.

     

    1.6. Afval

    Iedereen die ooit zelf bouwde, weet hoe het werkt. Je bestelt een hoeveelheid materiaal. ‘Voor de zekerheid’ zit daar alvast een reserve ingerekend. Componenten moeten vervolgens ter plaatse op maat gezaagd, afgeschuind of ingekort worden. Nog meer restmateriaal dus. En tenslotte neem je nog een deel weg op het moment dat je in de muren begint te slijpen en te kappen om de elektriciteitsleidingen te leggen. In praktijk blijkt verpakkingsafval (pallets, allerlei folies van HVAC en installaties) daarnaast één van de grootste bronnen van afval op een werf. Resultaat: een forse hoeveelheid restmateriaal, dat weer afgevoerd moet worden. Weinig efficiënt en vanuit milieu oogpunt zeker niet wenselijk. De vraag is hoe je die hoeveelheid afval zo klein mogelijk kunt houden.

    Eén van de mogelijke voordelen van prefabricage en preassemblage in de bouw zoals in het voorbeeld van Skilpod is reductie van restmateriaal. Modulaire bouw, die standaardisatie en series mogelijk maakt, leidt automatisch tot minder afval. Bovendien biedt een industriële aanpak mogelijkheden die er niet zijn op de werf of die men in de traditionele aanpak gewoon niet heeft geïntroduceerd.

    Kunnen we dan niets meer met restmateriaal op een werf? Toch wel, ongeveer 95% van het bouw- en sloopafval bestaat uit steenachtig, inert materiaal: beton- en metselwerkpuin, puin van keramiek en natuursteen. Dat kan je recycleren tot granulaten als het niet vervuild is met asbest of teer, of andere verontreinigingen. 

    Een technologie die intrinsiek weinig afval met zich meebrengt is 3D printing. De potentiële voordelen van deze technologie zijn velerlei: een snellere constructie, lagere arbeidskosten, groter mogelijke complexiteit en/of precisie, grotere integratie van functies en minder afvalproductie.

     

    > KIEM

    Er bestaan diverse 3D-printmethoden die op schaal van de bouwsector gebruikt kunnen worden. Kijk maar eens naar wat er allemaal in Kamp C gebeurt.

    > Extruza 

    Frederik Lamote werkt samen met Pieter Maelegheer aan een productlijn van ‘Treehouses’. “Daarbij moet je niet denken aan een boomhut voor de kinderen” aldus Frederik, “maar aan echt bewoonbare constructies die bijvoorbeeld als vakantiehuis kunnen dienst doen. Deze woningen worden vervaardigd met 3D printen, vandaar de naam 3D Treehouse. Dat moeten ecologische woonunits worden. We denken voor de uitvoering bijvoorbeeld aan recyclaat thermoplast maar ook aan biobased materialen die verwerkt worden in een composiet met houtvezels. In die zin is er heel veel mogelijk met deze technologie. Bovendien kunnen we dankzij parametrisch ontwerp elke woning eenvoudig aanpassen aan de omstandigheden. 

    Door onze deelname aan een onderzoekstraject naar Robot 3D printen van de KU Leuven en de Thomas More hogeschool hebben we heel wat kennis opgebouwd en ons netwerk aanzienlijk kunnen uitbreiden. Tevens kunnen we rekenen op Sirris om ons bij te staan in robotica, materiaalkunde en coatings. En ook met VLAIO onderhouden we goede contacten."

    >Valipac

    Valipac werd in 1997 op initiatief van het Belgische bedrijfsleven opgericht. Het zamelt onder andere plastic (verpakkings)folies in. Die worden gerecycled en vervolgens ingezet voor nieuwe verpakkingen. In 20 jaar verhoogde het recyclingpercentage voor industriële verpakkingen zo van 74% naar 90,5%. 

    >Tracimat

    Tracimat, een initiatief van WTCB, Deceuninck, Reynaers Aluminium, Wienerberger en Pittsburgh Corning Europe beoogt een soort ‘Vinted’ voor materialenstromen. Het einddoel van Tracimat is om een ‘proof of concept' te bouwen dat aantoont hoe samenwerking, informatieverzameling en -deling en afstemming binnen de keten kan leiden tot meer hergebruik en meer (hoogwaardige) recyclage. Heel concreet wil Tracimat praktijkprojecten opzetten rond vier materialenstromen: aluminium, dakpannen, vlakglas en PVC.

     

    2. Urban mining

    Een ‘urban mine’ is de voorraad van materialen in de afgedankte producten van een samenleving. De stad is de mijn. ‘Urban mining’ is een proces waarbij die materialen worden gerecupereerd. Het heeft zeker niet louter betrekking op de bouw. Het is van toepassing op heel de maatschappij. Maar uiteraard, doordat in de bouw zo veel materiaal wordt gebruikt, is het in deze sector wel een fenomeen met veel potentieel. Veel grondstoffen worden zeldzamer en de ontginning van ‘virgin material’ duurder. Je moet daarbij niet alleen meer denken aan zeldzame metalen, getuige de recente titel in De Standaard, 'Na de fietsen en spelconsoles raakt ook het hout op'. Dat - en het feit dat we steeds beter in staat zijn om materialen te scheiden - maakt het interessant om andere bronnen aan te spreken.

    Op de keeper beschouwd, zijn gebouwen eigenlijk opslagplaatsen van materialen voor toekomstige gebouwen.
    Jeroen Vrijders
    Hoofd Laboratorium voor Duurzame en Circulaire Oplossingen WTCB
     

    > opalis.eu

    Deze website biedt een platform voor aanbieders van gerecupereerde materialen. Deze website wordt nog verder aangevuld in het kader van het project Interreg FCRBE. Materialen zoals steen, hout, tegels, maar ook componenten zoals radiatoren, sanitair, deuren en raamkozijnen vinden zo een tweede leven. 

    > Rotordc

    Ook hier kan je gebruikte materialen voor de bouw terugvinden. Dit is een spin-off project van de coöperatieve ontwerppraktijk Rotor. 
     

     

    “Overigens is het niet altijd makkelijk om gerecupereerd materiaal van dit soort bronnen voor te schrijven bij een openbare aanbesteding”, aldus Sarah Flebus van HASA-architecten. “Je hangt af van het aanbod van het moment en dat maakt het moeilijk om vooraf normen en eisen voor wat betreft kwaliteit te definiëren. “

    Ook binnen de Proeftuin Circulair Bouwen is onderzoek gedaan naar urban mining. Wim Debacker: “In tegenstelling tot het opgeleverd Europees project Buildings as Material Banks (BAMB) dat focust op nieuwbouw en nieuwe verbouwingen, richt urban mining zich op het bestaande patrimonium. We hebben binnen de proeftuin een tweejarig onderzoeks- en experimenteerproject gedaan waarbij we een groot aantal sloopprojecten hebben geanalyseerd. Onze vaststelling is dat de grootste uitdagingen zich niet zozeer op technisch niveau situeren, maar eerder op systeemniveau. Je moet dan denken aan een gebrek aan vertrouwen binnen de keten, de initiële kostprijs die te hoog ligt, de moeilijkheid om sommige oplossingen op te schalen en het feit dat de potentiële voordelen van circulair bouwen – en dus ook van urban mining –  veelal nog weinig gekend zijn bij opdrachtgevers. 

    Eén en ander is vastgelegd in het onderzoeksrapport met concrete voorstellen voor grote pakketten maatregelen:

    1. De (verplichte) sloopinventaris en het sloopopvolgingsplan, die nu al opgemaakt worden voor grote gebouwen (<1000m³), als instrument gebruiken om waardevolle urban mining data te verkrijgen, in plaats van als louter administratieve documenten, zoals het vandaag gebruikt wordt. In eerste instantie moeten stappen gezet worden om deze instrumenten bruikbaarder te maken en meer impact te laten hebben. Een betere kwaliteitsbewaking is nodig. Er wordt verwacht dat deze stap bijkomende innovatie zal induceren en een professionalisering van de partijen die momenteel in deze sector actief zijn. In tweede instantie dienen ze beter ingeburgerd te worden bij (kleine) slopers, en bij bouwheren, door hen te informeren over de mogelijke voordelen die ze er kunnen uithalen;
    2. Een uitgebreide ketenverantwoordelijkheid om de kosten en baten van urban mining beter te verdelen onder de partners binnen een hechte samenwerking. Daar waar binnen een sector zelf initiatief genomen wordt om de recyclage- of hergebruikcapaciteit te vergroten, kan de overheid het proces faciliteren om het initiatief te verspreiden over de hele sector en indien nodig algemeen bindend te maken voor de hele sector (zoals in Nederland). Voor sectoren waar er geen initiatief genomen wordt, kan de overheid via het Materialendecreet een regulerende rol opnemen, zoals het opleggen van een aanvaardingsplicht of terugnameplicht van specifieke stromen of het gezamenlijk opstellen van een collectief plan.
    3. Er moet meer gestuurd worden op milieuprestaties bij bouw- en sloopvergunningen. Wij pleiten voor een ‘M-peil’ (Milieuprestatie van gebouwen) naar analogie van het ‘E-peil’ (energieprestatie van gebouwen), waarin de milieuprestatie van een gebouw wordt vastgelegd. Het sturen op materiaalgebonden milieuprestaties van gebouwen bij bouwvergunningen kan het gebruik van tweedehands bouwproducten en gerecycleerde materialen bevorderen op voorwaarde dat (1) ze wel degelijk beter scoren qua milieu-impact en (2) de netto milieu-impact of -winst correct ingerekend worden. 
    4. Processen moeten verder geprofessionaliseerd worden, meer gedigitaliseerd en met gebruik van materialen- en gebouwenpaspoorten. Sloopaannemers mogen daarbij meer in de picture komen, want hoewel dat metier makkelijk wordt geassocieerd met eerder ruw werk zal dat in de toekomst steeds gesofisticeerder worden.
    5. Informatie tussen bedrijven/organisatie moeten meer en beter uitgewisseld worden. Dit kan gebeuren via professionele platformen, waarop producenten, aannemers en architecten de vraag en het aanbod voor bepaalde gebruikte materialen en producten beter in kaart brengen. Ook een betere vertegenwoordiging van sloop-, recyclage- en hergebruiksector binnen normalisatie-initiatieven kan het uitwisselen van waardevolle informatie tussen verschillende spelers versnellen. Hiervoor zijn inmiddels projecten gelanceerd door o.a. het WTCB. In samenwerking met verschillen producenten in de bouwsector attesteert Tracimat het sloopopvolgingsplan en daarmee het selectieve sloopproces.
    6. Nieuwe businessmodellen kunnen getest worden in zogenaamde ‘communities of practice’. Maatschappelijk draagvlak creëren binnen de hele bouw- en sloopwereld is een werk van lange adem. Door het opzetten van vrijwillige communities of practice (CoP) kunnen echter grote publieke en private eigenaars, sloopbedrijven, architecten, producenten en handelaars gericht geïnformeerd worden over al gekende financiële, ecologische en sociale voordelen die urban mining te bieden heeft.”

    3. Circulaire businessmodellen

    Er zijn - ook in Vlaanderen - opdrachtgevers die duurzaamheid en circulariteit dusdanig belangrijk vinden dat ze het in het bestek opnemen. Rik Scholiers van de Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM) gaf hier recent enkele voorbeelden van. Zijn ervaring: “Het kan heel goed, maar je moet er vanaf het begin duidelijk nadruk opleggen dat recyclagebeton een selectiecriterium is. Met een dergelijke opdrachtgever wordt het voor de ‘groene’ leverancier uiteraard gemakkelijker. Maar dit is nog geen gemeengoed: hoewel veel opdrachtgevers het groene gedachtengoed wel genegen zijn, is niet iedereen bereid om daarvoor ook meer geld neer te leggen. En duurzaam is duur. Of toch niet?

    Jeroen Govers, CEO van Probam actief in de vastgoed- en bouwsector: “Circulair bouwen is initieel veelal duurder dan conventioneel: je moet aan veel dingen denken, zoals materiaaleigenschappen en constructie en je moet dat ook bestuderen en duidelijk vastleggen. Onder andere BIM kan daarbij zeker helpen, maar BIM op zich maakt een gebouw ook niet goedkoper. Die balans wordt anders als je het over een langere periode bekijkt, zelfs niet enkel op de eerstgeplande bestemming of eerste levensduur van de constructie maar rekening houdt met de exploitatie, de latere nodige aanpassingen in functie van gebruik, afbraak, etc. Dan betaalt het circulaire concept zich wellicht terug. Maar dan moet het business model daarop wel inspelen om de balans tussen bouwer en gebruiker in evenwicht te houden. En mogelijk ook de overheid die moet stimuleren dat de hele kost wordt verdisconteerd bij het vastleggen van keuzes of normeringen.” 

    Bart Vercoutere van Claire CO2: “Daar ligt inderdaad een rol voor de overheid. Er moet een taxshift komen waarbij de uitstoot van CO2 gewoon zwaarder belast wordt. Dan komen groene oplossingen vanzelf boven drijven. Momenteel worden de werkelijke kosten van conventionele technologieën (o.m. ‘gratis uitstoten van CO2’) vaak niet in rekening gebracht. Daardoor lijken ze goedkoop. Maar dan worden de kosten om materialen aan het eind van de levensduur bijvoorbeeld weer op te ruimen, niet meegeteld.”

    Wouter Crijns (ResourceFull): “Dat is exact wat de milieukost indicator (MKI-score) in Nederland beoogt. Die wordt gebruikt bij openbare aanbestedingen waardoor ‘groen’ het toch kan winnen van ‘goedkoop’.” Wim Debacker: “Dat is inderdaad te vergelijken met een M-peil, dat wij bepleiten. In Nederland wordt er al gevraagd om de milieuprestatie bij bouwvergunningen te bepalen. Nu worden hier nog geen financiële consequenties (zoals boetes) of selectiecriteria aan verbonden, maar dat komt dus nog wel.”

    Er is dus mogelijk een rol voor de overheid weggelegd om circulaire oplossingen te stimuleren. Maar hoe zit het dan met de business modellen? Dan kom je al gauw uit bij een lease- of verhuurmodel. Door te leasen in  plaats van te verkopen blijven materialen of componenten eigendom van de leverancier. Die weet wat hij heeft geleverd en weet ook dat hij dit op termijn terug moet nemen en ontmantelen of hergebruiken. De verantwoordelijkheid blijft daarmee bij dezelfde partij die bovendien op voorhand al zal anticiperen wat hij ermee gaat doen aan het einde van de -eerste- levencyclus. Een voorbeeld is het bekende lighting as a service (LAAS) van Philips in samenwerking met Thomas Rau. Een model dat ook beschreven wordt op de website Circulator.eu. Datzelfde principe wordt ook gebruikt door Mitsubishi bij haar liften: ‘mobility as a service’. En ook HVAC kan als dienst worden geleverd:

     

    > ComTIS Energy

    ComTIS Energy, een spin-off van bouwbedrijf Vanhout uit Geel, biedt een 'comfort as a service'-model aan voor verwarming en koeling (ESCO, energy service company). De focus ligt op kantoor- en appartementsgebouwen. Peter Bertels: “Duurzame verwarmingsoplossingen (meestal gebaseerd op geo-thermie via warmtepompen) zijn nog altijd duurder dan de klassieke verwarmingsketel op aardgas of stookolie. ComTIS Energy helpt de bouwheer of eigenaar om toch voor die duurzamere oplossing te kiezen door de investeringskost op zich te nemen, geheel of gedeeltelijk. Op die manier bespaart de eigenaar van het gebouw op de investeringskost. Vanaf dag 1 wordt er minder energie verbruikt voor warming en koeling dan het geval zou geweest zijn met een klassieke installatie. Binnen het contract tussen ComTIS Energy en de eigenaar wordt die energiebesparing, en dus ook kostenbesparing, verdeeld en met het bedrag dat gewonnen wordt op het verbruik, betaalt ComTIS Energy de investering terug. Dit werkt zowel voor nieuwbouwinstallaties als voor renovatie. Bij nieuwbouw berekent ComTIS Energy de besparing ten opzichte van de initieel geplande ‘referentieinstallatie’ (meestal op aardgas en elektrische airco-installatie). Voor renovatie vormt de gas- (of stookolie-)factuur van de voorbije 3 jaar de referentie. Voor de eigenaar van het gebouw geldt een NMDA-principe: die betaalt na renovatie Niet Meer Dan Anders.

     

    Toch stellen zich nog wel wat uitdagingen bij dit concept. Je moet tenslotte als leverancier je product voorfinancieren. De inkomsten zullen vervolgens slechts stukje bij beetje komen.

    Jasper Vandenbempt van Facadeclick: “Leasemodellen zouden zich heel goed lenen voor het circulair bouwen. Je kunt dan als leverancier eigenaar blijven van de gebruikte materialen - in ons geval gevelstenen - en nadien ook instaan voor de afbraak en het hergebruik. Maar daar zijn in de praktijk nog wel wat haken en ogen aan: omdat de restwaarde van deze materialen veelal onbekend is, zijn banken nog niet geneigd om mee te stappen. Dat betekent dat je als producent zelf kapitaalkrachtig genoeg moet zijn om producten voor te financieren.”

    Wim Debacker: “Lease en as-a-service modellen zijn daarom vooral interessant voor gebouwcomponenten met een korte of middellange gebruiksduur van maximaal 15-20 jaar. Econocom uit Zaventem is overigens gespecialiseerd in de financiering van circulaire business modellen.” 

    Indien je als producent niet alleen kan of wil instaan voor de volledige circulaire keten, kan je ook samenwerking zoeken met andere partijen in de waardeketen om zo de cirkel te sluiten. Een platform met vraag en aanbod helpt dan natuurlijk.

     

    > MOSARD

    Het Genkse MOSARD (Modular Open System for Architectural Design) biedt een open platform, waarop verschillende partijen uit de hele waardeketen in cocreatie componenten kunnen bieden en afnemen volgens een uniform maatsysteem. Zo hebben ze een hele bibliotheek uitgebouwd inclusief BIM tekeningen. Je vindt er nieuwe, herbruikbare en ook gebruikte elementen. Met deze bouwcomponenten kan in principe ieder type gebouw worden ontwikkeld, gaande van starterswoningen, meegroeiwoningen, collectieve woningen tot zelfs kantoren of hallen. Door hun opbouw in compatibele componenten laten gebouwen zich eenvoudig aanpassen aan wijzigende behoeften of kunnen gebouwen groeien en krimpen. Bovendien zijn door de standaard maatvoeringen bouwcomponenten compatibel met meerdere gebouwen en behouden, zowel de componenten als het vastgoed zelf, meer waarde.

    >Thorbiq

    Binnenkort wordt MatBIM voorgesteld (een broertje van TechBIM), een standaardisatie-initiatief voor bouwmaterialen op BIM Content niveau. Dat is nodig volgens Erwin Heyse van Thorbiq, aangezien producenten en constructeurs mekaar niet altijd vertrouwen. Op dit platform kan de constructeur neutrale informatie vinden over materialen, zonder ruis van de merkinformatie. Die kan de constructeur wel opvragen nadat hij de vereiste eigenschappen van het materiaal heeft bepaald.

     

    Een ander businessmodel vertrekt van het product zelf: maak dat in opbouw en materiaalgebruik zo circulair mogelijk, of beter nog: maak je product van gerecycleerde materialen.

     

    > Nnof

    Een bekend Vlaams voorbeeld in dit verband is de meubelfabrikant Nnof. Zij leveren een scala aan producten en diensten steeds vertrekkend van bestaand kantoormeubilair. Het eigen kantoormeubilair van de klant dient als grondstof voor de projecten die Nnof namens hen realiseert. Nnof levert zowel catalogusproducten als maatwerk. Het aanbod van Nnof varieert van puur hergebruik tot de volledige transformatie van bestaande objecten. 

    > Labeur

    Een vergelijkbaar traject vind je bij Labeur dat ook nog eens de link met sociale economie legt. Dit maatwerkbedrijf zet in op duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Labeur biedt bouw & renovatie aan op een duurzame manier. Het houtatelier is gespecialiseerd in het verwerken van sloophout in moderne meubels en interieurs op maat. 
     

     

    Auteur: Bas Sturm