Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen

Laatst gewijzigd op 20 apr 2026 (Alle wijzigingen)

Samengevat

Voor wie
zelfstandigen & micro- en kleine vennootschappen van max. 4 j. oud
Voor wat
bedrijfsvoorheffing op bezoldigingen van de werknemers
Vrijstelling doorstorting
10% (kleine) of 20% (micro) moet niet worden doorgestort aan de fiscus

Wat houdt de maatregel in

Kleine vennootschappen moeten 10% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op werknemersbezoldigingen niet doorstorten aan de fiscus. Dit percentage wordt verhoogd tot 20% voor microvennootschappen. Ook eenmanszaken die voldoen aan deze definitie komen in aanmerking.

Deze maatregel geldt enkel voor werkgevers die maximaal 48 maanden zijn ingeschreven in de KBO (Kruispuntbank van Ondernemingen).

Wie komt in aanmerking

Je kan deze maatregel toepassen als je aan de volgende drie voorwaarden voldoet:

  • Je valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  • Je voldoet aan de definitie van kleine vennootschap of microvennootschap (zie verder), of bent een natuurlijke persoon die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
  • Je bent maximaal 48 maanden ingeschreven in de KBO. Deze termijn van 48 maanden vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op die inschrijving.

Als de werkgever een werkzaamheid voortzet die voordien werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een andere rechtspersoon, begint de periode van 48 maanden te lopen op de eerste dag van de maand volgend op de eerste KBO‑inschrijving van die natuurlijke persoon of rechtspersoon. Deze informatie wordt verduidelijkt in de FAQ - Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing - Startende ondernemingen op MyMinFin.

Definitie microvennootschap en kleine vennootschap

De werkgever moet een natuurlijk persoon zijn of een kleine vennootschap die beantwoordt aan de criteria opgenomen in artikel 1:24, §§ 1 tot 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Een microvennootschap (zoals gedefinieerd in artikel 1:25 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen) is ook een mogelijkheid. Dit houdt in dat er voor het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van volgende criteria wordt overschreden:

 microvennootschapkleine vennootschap
jaargemiddelde personeelsbestand10 50
jaaromzet, excl. btw€ 900.000€ 11.250.000
balanstotaal€ 450.000€ 6.000.000

Het overschrijden of niet langer overschrijden van meer dan één criterium heeft enkel gevolgen wanneer dit zich in twee opeenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen gaan dan in vanaf het daaropvolgende boekjaar.

In het geval van verbonden vennootschappen worden de criteria inzake omzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde (gegroepeerde) basis.
Voor het criterium van het personeelsbestand wordt het jaarlijks gemiddeld aantal werknemers van alle betrokken verbonden vennootschappen samengeteld.
Wanneer er boekhoudkundig geen consolidatie wordt opgesteld, kan worden gekozen voor een alternatieve consolidatie, waarbij de drempels met 20% worden verhoogd.

Een vennootschap die zijn activiteit start, en dus niet beschikt over deze cijfers, moet de criteria bij het begin van het boekjaar te goeder trouw schatten.

Vzw’s komen voor deze maatregel enkel in aanmerking indien ze onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.

Omvang steun

De vrijstelling bedraagt:

  • 10% van de bedrijfsvoorheffing als de onderneming voldoet aan de definitie van kleine vennootschap;
  • 20% van de bedrijfsvoorheffing als de onderneming voldoet aan de definitie van microvennootschap.

De vrijstelling kan enkel worden toegepast tijdens de opstarttermijn van 48 maanden, die ingaat op de eerste dag van de maand na de eerste KBO‑inschrijving van de werkgever.

De vrijstelling wordt per werknemer berekend. Zij kan uitsluitend worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de bezoldigingen van de betrokken werknemer.

Aanvraagprocedure

Er moeten twee aangiftes in de bedrijfsvoorheffing worden opgesteld:

1ste aangifte

In de eerste aangifte komt in het vak 'Belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen en in het vak 'Verschuldigde BV' de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

2de aangifte

In de tweede aangifte komt in het vak 'Belastbare inkomsten' eveneens het bruto belastbaar inkomen.

In het vak 'Verschuldigde BV' komt een negatief bedrag, afhankelijk van de groep waaronder de werkgever valt, gelijk aan respectievelijk 10% of 20% van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Naargelang de groep waaronder de werkgever valt, verschilt de te gebruiken code in het vak 'aard inkomen'.

De werkgever moet een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer:

1. de volledige identiteit;
2. het nationaal nummer;
3. het bedrag van de betaalde of toegekende bruto belastbare bezoldigingen;
4. het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing.

De werkgever moet ook het bewijs dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde vrijstelling als startende kleine vennootschap of startende microvennootschap ter beschikking houden van de administratie.

Blijf op de hoogte

Wil je op de hoogte blijven van wijzigingen van deze maatregel en andere maatregelen in de Subsidiedatabank? Dat kan via de gratis 'Nieuwsbrief van de Subsidiedatabank'.