Bijkomende toelichting EFRO City of Things - oproep

Publicatiedatum
De voorbije weken ontvingen we met de EFRO beheersautoriteit een aantal vragen over de interpretatie van de projectoproep, zowel op inhoudelijk als administratief-technisch vlak.  Hieronder geven we graag bijkomende toelichting bij de ontvangen vragen. Hierbij proberen we zo flexibel mogelijk in te spelen op de verzoeken en vragen vanuit de doelgroep. 

Formele betrokkenheid van 2 steden of gemeenten: 

  • Vanuit de EFRO Beheersautoriteit werd de formele betrokkenheid van minimaal 2 steden of gemeenten gevraagd. Dit betekende dat minimaal 2 steden of gemeenten als copromotor aan het project verbonden moesten zijn en bijhorende kosten dienden te maken. Deze vereiste vertrok vanuit het uitgangspunt dat deze oproep zich richt naar opschaling / uitrol. Formele betrokkenheid van 2 steden of gemeenten zou in die zin een garantie bieden voor deze uitrol. Bij deze call is het immers niet (meer) de bedoeling om in een ontwikkel- of experimenteerfase te blijven hangen, maar daadwerkelijk te gaan inzetten op opschaling. 
  • Vanuit de doelgroep kwam het signaal dat dit in de praktijk niet steeds wenselijk of realistisch is. Het is immers zo dat enkele voorstellen uitgaan van een opschaling op bovenlokaal niveau (op initiatief van provincie, intercommunales,…) waarbij betrokkenheid van enkele steden en gemeenten reeds voorzien is. Voor dergelijke producten zou het contraproductief zijn, mocht de formele betrokkenheid en bijkomende financiering van minimaal 2 steden of gemeenten vereist zijn, terwijl andere steden of gemeenten hiervan gebruik zouden kunnen maken zonder (financieel) engagement. 

De EFRO Beheersautortiteit gaat ermee akkoord dat voor dergelijke gevallen van bovengemeentelijke aard er geen strikt formeel financieel engagement van 2 steden of gemeenten noodzakelijk is, maar wel een engagement tot effectief gebruik van de bovengemeentelijke tool door 2 of meer gemeenten, zodat de vraaggestuurdheid van het project duidelijk aangetoond is. 

Statuut VLOCA en OSLO

  • In de projectoproep staat vermeld dat ‘ het verplicht is om tegen de indiening van het finaal dossier nauw af te stemmen met het team VLOCA bij Agentschap Binnenlands Bestuur en bij team OSLO bij Digitaal Vlaanderen om na te gaan op welke manier beide trajecten best worden geïntegreerd in een project’. 
  • Vanuit dat gegeven raden we aan om binnen het project het nodige budget te voorzien voor een VLOCA- en OSLO-traject (2 * 70.000,00 euro = 140.000,00 euro). Mogelijks hebben wel niet alle projecten nood aan een volledig traject. Dit zal moeten blijken uit de uitvoering van het project. De voorziene kost zal in dit geval uiteraard niet gespendeerd moeten worden. 

VLOCA / OSLO trajecten en verenigbaarheid met de wet OHO: 

  • Eveneens bestond er onduidelijkheid omtrent het statuut van de VLOCA- en OSLO trajecten m.b.t. de wet op de overheidsopdrachten. Vanuit de betrokken steden en gemeenten werden vragen gesteld omtrent het gebruik van de dienstverlening rond VLOCA en OSLO en de verenigbaarheid met de wet op de overheidsopdrachten terzake. 
  • Vanuit het Smart Region Office werd hierover aangegeven dat zowel voor OSLO als voor VLOCA dezelfde uitzondering op de wet op de overheidsopdrachten kan worden ingeroepen, m.n. de niet-geïnstitutionaliseerde horizontale samenwerking onder art. 31. 

Projecten die actief zijn in zowel GTI Limburg als Vlaamsbreed

Uit de vooraanmeldingen bleek dat er voorstellen worden uitgewerkt voor projecten die zowel in de GTI Limburg als daarbuiten activiteiten zouden voorzien. Aan deze voorstellen kunnen we volgende richtlijnen meegeven: 

  • Er wordt slechts één project ingediend. Een opsplitsing tussen een GTI-project en een Vlaamsbreed project is niet nodig. 
  • Dit project moet worden ingediend binnen de Vlaamsbrede call, waarbij 30% EFRO- en 30% FIO-steun wordt aangevraagd. 
  • Het budget kan door de Beheersautoriteit worden gemonitord op het niveau van de projectpartner (promotor / copromotor) en dit in functie van de regiocategorisatie. De toekenning van Vlaamse dan wel Limburgse middelen is dan een interne aangelegenheid die we niet willen afschuiven op de projectpartners.
  • De indicatoren moeten wel worden opgesplitst in de 2 categorieën van regio’s (Limburg en Vlaamsbreed). In het EFRO E-loket kan het gecumuleerde aantal worden ingebracht. Uit de toelichtende bijlage moet blijken welk aandeel voor Limburg bestemd is. 
  • De projectvoorstellen zullen ook worden behandeld via de procedure van de Stuurgroep SALKTurbo. 

Integratie van projectvoorstel binnen EFRO E-loket

Vanuit de Beheersautoriteit dringen we er op aan om tijdig te beginnen met de opmaak van het projectvoorstel in het EFRO E-loket. Aan EFRO-projecten zijn specifieke vereisten verbonden (specifieke bijlagen, opmaak kostenplan, kpi’s,…). Het is belangrijk dat de (potentiële) indieners deze tijdig leren kennen en weten hoe ze hiermee moeten omgaan. Dit is een proces dat niet op enkele dagen gerealiseerd kan worden. Uiteraard kan dit proces parallel verlopen met de inhoudelijke uitwerking van het project. 

Delen: