Het subsidiebedrag

Het subsidiepercentage en het subsidiebedrag worden berekend op basis van een globale kostenraming. Deze kostenraming bestaat uit de totale kost die verbonden is aan de verwerving, de inwerkingstelling, het beheer en het onderhoud van de onderzoeksinfrastructuur. Binnen deze totale kostenraming kunnen de investeringskosten gesubsidieerd worden, rekening houdend met de hieronder geldende bepalingen.

Subsidiebedrag

Binnen deze oproep worden projecten beoogd van een zekere omvang. Daarom wordt een minimaal subsidiebedrag van € 100.000 euro per project opgelegd. 

Binnen het beschikbaar budget van 2 miljoen euro heeft Agentschap Innoveren & Ondernemen echter ook de intentie om een aantal onderwijsinstellingen te subsidiëren zodat een redelijke spreiding van de middelen gewaarborgd wordt. Daarom wordt ervoor gekozen om eveneens een maximaal subsidiebedrag vast te leggen per onderwijsinstelling van € 300.000. Op deze manier kunnen minstens 7 hogescholen ondersteund worden. Dit betekent dat per project een minimale subsidie van € 100.000 en een maximale subsidie van € 300.000 kan toegekend worden. 

De aanvrager kan evenwel beslissen om meerdere (kleinere) aanvragen in te dienen. Bij de toekenning van de subsidie zal de drempel van € 300.000 subsidie per onderwijsinstelling gerespecteerd worden.

Subsidiepercentage

Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 80% van de totale kostenraming. Enkel de kosten voor de aankoop en de uitrusting van de onderzoeksinfrastructuur komen in aanmerking voor subsidie. Dit betekent dat er minimaal een eigen inbreng moet zijn van 20% van de totaal geraamde kosten. Deze eigen bijdrage bestaat zowel uit inbreng van personeel als onderhoudskosten verbonden aan het onderhoud, beheer en bediening van de onderzoeksinfrastructuur.

Bij de aanvraag van het saldo, worden alle bewijsstukken bezorgd van de effectief gemaakte kosten. Op basis van deze bewijsstukken kan een herberekening van de subsidie gebeuren indien de effectief gemaakte kosten lager uitvallen dan de raming. De subsidie kan echter nooit meer bedragen dan het toegekende maximaal subsidiebedrag en het toegekend maximaal subsidiepercentage.

Subsidiabele kosten

  • Investeringskosten: de investeringskosten betreffen de kosten voor de aankoop en uitrusting van de onderzoeksinfrastructuur. Hieronder wordt begrepen de kosten verbonden aan de aankoop en aansluiting van de onderzoeksinfrastructuur zelf of de aankoop van onderdelen voor de constructie van de beoogde onderzoeksinfrastructuur. Ook het verbeteren of uitbreiden van bestaande onderzoeks¬infrastructuur valt hieronder. 
  • De btw op deze aankoopprijs is subsidiabel indien de btw niet recupereerbaar is door de aanvrager. In dit geval moet de aanvraag vergezeld zijn van de nodige bewijsstukken.

Opmaak kostenraming

Voor de berekening van de subsidie en het maximaal subsidiepercentage worden volgende kosten in overweging genomen:

  • Investeringskosten voor de infrastructuur
  • Personeelskosten: Personeelskosten verbonden aan het onderhoud, het beheer en de bediening van de onderzoeksinfrastructuur, en personeelskosten verbonden aan de praktische uitwerking van activiteiten in functie van de kennisdeling naar de bedrijfswereld. 
  • Onderhoudskosten: de onderhoudskosten van de onderzoeksinfrastructuur gedurende de subsidieperiode. Hieronder wordt begrepen de kosten voortvloeiend uit onderhoudsovereenkomsten of updaten van de onderzoeksinfrastructuur en herstellingskosten. 
  • Overhead: Overheadkosten worden bepaald als kosten voor zover ze rechtstreeks verband houden met het project maar die niet direct aan het project via factuur of andere boekhoudkundige documenten kunnen toegewezen worden. Deze kosten worden berekend als 10% op de aanvaarde loonkosten. 

De aanvrager maakt een raming van de jaarlijkse kosten verbonden aan het project, en dit voor een maximale periode van 3 jaar. 

Uitbetaling van de subsidie

De uitbetaling van de subsidie gebeurt in 3 schijven.

  • Eerste schijf van 40% nadat een het project gestart is. Als de start van het project wordt de lancering van de (overheids)opdracht beschouwd in het kader van de marktbevraging voor de aankoop van de onderzoeksinfrastructuur. Het project kan niet vroeger starten dan de toekenning van de subsidie, en ten laatste 6 maanden na toekenning van de subsidie.
  • Tweede schijf van 40% als aangetoond kan worden dat minstens 60% van de kosten voor de aankoop voor de onderzoeksinfrastructuur is gemaakt. Dit wordt aangetoond aan de hand van de nodige facturen en betaalbewijzen. 
  • Saldo van 20% bij afronding van het project. Bij de aanvraag tot uitbetaling van het saldo moeten minstens volgende stukken worden voorgelegd:
    • Alle documenten m.b.t. de aankoop van de onderzoeksinfrastructuur met inbegrip van de documenten in het kader van de overheidsopdracht/marktbevraging;
    • Alle facturen of andere financiële bewijsstukken met betrekking tot de aankoop van de onderzoeksinfrastructuur;
    • Alle stavingsdocumenten ter controle van de eigen inbreng. De inbreng van personeel wordt aangetoond aan de hand van tijdsregistratie, arbeidscontracten, loonkosten, … en andere documenten ter staving van gemaakte kosten (zie luik “Subsidieberekening en modaliteiten” voor een overzicht van de kosten die in aanmerking komen);
    • Een inhoudelijk rapport met beschrijving van de effectief gerealiseerde onderzoeksinfrastructuur, de inbedding ervan binnen de werking en onderzoek van de onderwijsinstelling;
    • Inhoudelijk verslag over de initiatieven die werden genomen om de mogelijkheden van de onderzoeksinfrastructuur kenbaar te maken bij de bedrijfswereld, alsook de initiatieven die (zullen) genomen worden om de resultaten van de onderzoeken kenbaar te maken, in het bijzonder aan de bedrijfswereld. Hierbij wordt ook kwantitatief gerapporteerd over het aantal bedrijven dat bereikt werd gedurende de subsidieperiode.

Contact

Adres
Agentschap Innoveren & Ondernemen
Afdeling VLAIO Netwerk

Koning Albert II-laan 35 bus 12
1030 Brussel
België

Telefoon
E-mail